Inleiding
Smartphones zijn niet meer weg te denken uit het dagelijks leven. Hoewel deze devices voordelen hebben, zoals gemakkelijk contact met anderen, toegang tot informatie en het kunnen afrekenen zonder pinpas, zijn er ook nadelen te noemen. Eén daarvan is dat een binnenkomende melding op een smartphone afleidt van de taak waar iemand mee bezig is en op die manier een negatief effect heeft op de aandacht (Kaminske et al., 2022). Zodoende geldt er sinds 1 januari 2024 een mobieltjesverbod in de klas op middelbare scholen en vanaf september 2024 volgt ook het basisonderwijs (Rijksoverheid, z.d.)
Los van de afleiding die smartphones geven kan het gebruik ervan bovendien storend zijn tijdens een gesprek. Wanneer de gesprekspartner reageert op een melding van diens smartphone neemt de aandacht voor de ander af. Het gesprek wordt als het ware verstoord. Dit principe wordt technoference genoemd en staat voor de onderbreking van interpersoonlijke interacties door het gebruik van mobiele devices (McDaniel & Radesky, 2018). Dit gebeurt niet alleen bij contact tussen volwassenen. Veel ouders raken in contact met hun kind afgeleid door een melding van hun smartphone. Mogelijk kan dit een negatieve invloed hebben op de interacties tussen ouder en kind (McDaniel & Radesky, 2018). Deze ouder-kind interacties zijn een belangrijke factor in de taalontwikkeling van kinderen (Safwat & Sheikhany, 2014).
De basisvaardigheden op het gebied van taal zijn nodig om te functioneren in het (vervolg)onderwijs en de samenleving. Onder deze basisvaardigheden worden lezen, schrijven en mondelinge taalvaardigheid verstaan (Stichting Leerplan Ontwikkeling, 2024). Het blijkt echter niet goed te gaan met het taalniveau van Nederlandse leerlingen. Uit het meest recente PIRLS-onderzoek (2021) kwam naar voren dat de leesvaardigheid van Nederlandse groep 6-leerlingen voor het eerst in vijftien jaar daalde en niet langer boven het Westerse gemiddelde zit (Swart et al., 2023). Ook bij leerlingen op de middelbare school is deze trend zichtbaar. Uit het meest recente PISA-onderzoek uit 2022 bleek dat de leesvaardigheid drastisch was gedaald en dat bijna alle EU-landen hoger dan Nederland scoren (Meelissen et al., 2023). Om te voorkomen dat het taalniveau van Nederlandse leerlingen verder daalt is het belangrijk om behalve op onderwijsniveau ook te kijken naar wat er gebeurt voor een kind met onderwijs start. In de periode voordat een kind leerplichtig is, zijn de ouders de belangrijkste factor voor de taalontwikkeling omdat jonge kinderen de meeste tijd thuis doorbrengen (Expertisepunt Basisvaardigheden, 2023).
De kwaliteit van ouder-kind interacties is van groot belang voor de taalontwikkeling van kinderen (Levickis, et al., 2022). Volgens sommige auteurs zouden deze kwalitatieve aspecten van de ouder-kind interactie (zoals responsiviteit) bovendien meer van belang zijn voor het leren van taal dan kwantitatieve aspecten (zoals de hoeveelheid woorden waar een kind aan wordt blootgesteld) (Levickis et al., 2022; Topping et al., 2013). In een studie van McDaniel en Radesky (2018) kwam naar voren dat ouders moeilijkheden ervaren in het multitasken tussen hun kind en hun smartphone. Hierdoor lukt het minder goed om te reageren op signalen van het kind en om om te gaan met het gedrag. Deze verminderde sensitiviteit voor de signalen van een kind kan gevolgen hebben voor de kwaliteit van de ouder-kind interactie en uiteindelijk voor de taalvaardigheid.
Jonge kinderen gebruiken zelf ook in toenemende mate technologie. Uit onderzoek van Netwerk Mediawijsheid blijkt dat kinderen van 9 maanden t/m 6 jaar gemiddeld 1 uur en 51 minuten per dag aan digitale media besteden (Nikken & Tuijnman, 2024). In een review van Madigan et al. (2020) kwam naar voren dat een grotere hoeveelheid schermtijd van het kind geassocieerd werd met een lagere score op taalvaardigheid. Tegelijkertijd werd samen met een ouder kijken (co-viewing) geassocieerd met een sterkere taalvaardigheid. Digitale media hoeven op zichzelf zodoende geen negatieve invloed te hebben op de taalvaardigheid van het kind, wanneer er gezamenlijke betrokkenheid is van ouder en kind. Mogelijk is het een gebrek aan interactie of een te lage kwaliteit van interactie waardoor schermgebruik van het kind of de ouder een negatief effect kan hebben op de taalontwikkeling.
Het is om deze reden interessant om na te gaan wat voor samenhang er is tussen smartphonegebruik van de ouder en de ouder-kind interactie, met het oog op eventuele gevolgen voor de taalontwikkeling. Aangezien het taalniveau op jonge leeftijd een betrouwbare voorspeller is voor het taalniveau op latere leeftijd (Eadie et al., 2021) ligt in dit onderzoek de focus op het jonge kind.
In deze review zal enkel naar het smartphonegebruik van de ouder gekeken worden. Deze keuze is gemaakt omdat smartphones zodanig geïntegreerd zijn in het dagelijks leven dat ze de mogelijkheid hebben om de dagelijkse interacties tussen ouder en kind frequent te verstoren. Daarnaast biedt het Nederlands Jeugdinstituut weliswaar richtlijnen en informatie over schermgebruik en mediaopvoeding van kinderen, maar gaat het niet in op het mediagebruik van ouders zelf (Nederlands Jeugdinstituut, z.d.). Kennis en inzicht in hoe smartphonegebruik van de ouder invloed kan hebben op de ouder-kind interactie kan helpen in het opstellen van beleid rondom schermgebruik en in advisering aan ouders. Aangezien digitale media niet meer weg te denken zijn uit de maatschappij, is er noodzaak aan handvaten voor ouders, om eventuele negatieve gevolgen voor de taalontwikkeling van hun kind te voorkomen.
Doel en vraagstelling
Het doel van deze review is om in kaart te brengen wat er bekend is over de samenhang tussen smartphonegebruik van de ouder in het bijzijn van het kind en de ouder-kind interacties. Getracht wordt om te inventariseren of er sprake is van samenhang, op welke aspecten van de interactie dit betrekking heeft en of het daarbij om een negatieve of positieve samenhang gaat.
Dit leidt tot de volgende vraagstelling: Wat is er bekend over de mogelijke samenhang tussen smartphonegebruik van ouders en de kwaliteit van de ouder-kind interacties bij jonge kinderen?
Methode
Er is gekozen voor een kwalitatief onderzoeksdesign om antwoord te geven op de onderzoeksvraag. De gekozen vorm is een systematische literatuurreview. In een systematische review wordt literatuur op systematische wijze zo volledig mogelijk in kaart gebracht. In deze review wordt getracht om de belangrijkste thema’s met betrekking tot de onderzoeksvraag in kaart te brengen. Er zal gezocht worden in twee verschillende databases, te weten ERIC en PsychINFO. Deze richten zich respectievelijk op onderwijs, opvoeding en psychologie.
Enkele onderdelen van de methode zijn weggelaten.
Selectieproces
In het zoekproces zijn in totaal 358 artikelen gevonden. (..). Uiteindelijk zijn er 15 artikelen geïncludeerd in dit literatuuronderzoek. (..)
Resultaten
Om een antwoord te kunnen geven op de onderzoeksvraag: ‘Wat is er bekend over de mogelijke samenhang tussen smartphonegebruik van ouders en de kwaliteit van de ouder-kind interacties bij jonge kinderen?’, zijn de 15 geïncludeerde artikelen aan een analyse onderworpen. De kenmerken zijn in Tabel 3 weergegeven. Het grootste deel van de artikelen is in de afgelopen vijf jaar gepubliceerd, vier zijn ouder. Het grootste deel van de onderzoeken is uitgevoerd in de Verenigde Staten. De geïncludeerde artikelen bestaan uit zeven correlationele onderzoeken, drie etnografische onderzoeken, vier (quasi)-experimentele onderzoeken en tenslotte een beschrijvend onderzoek. Alle studies hebben observaties gedaan, dit gebeurde in een laboratoriumsetting of in openbare ruimtes zoals speeltuinen en restaurants. Er vonden geen observaties plaats bij ouders thuis. De steekproeven varieerden in grootte van 24 tot 225 participanten, het grootste deel hiervan bestond uit kinderen met hun moeders.
Er werd op verschillende manieren naar de ouder-kind interactie gekeken. In de naturalistische observaties werden uitgebreide ‘field notes’ geschreven waarin interacties werden beschreven op basis van responsiviteit, toon van de stem, gezichtsuitdrukking, lichaamstaal en verbale uitingen. Soms werd tijdens deze observaties ook bijgehouden hoeveel minuten en hoe vaak ouders hun smartphone gebruikten. De field notes van deze studies werden onderworpen aan een thematische analyse.
In de kwantitatieve studies werden ouders en kinderen aan één of meerdere condities onderworpen, al dan niet met random toewijzing. Ouder en kind moesten bijvoorbeeld eerst zonder afleiding spelen en vervolgens werd de ouder geïnstrueerd om de smartphone te gebruiken. Tijdens deze condities werd live geobserveerd of werden video-opnames gemaakt. Er werden kwantitatieve gegevens bijgehouden zoals de hoeveelheid vragen die gesteld werden door ouders en kinderen. Middels verschillende statistische analyses werden vergelijkingen gemaakt tussen de condities. Op deze manier werd bijvoorbeeld getracht verschillen te onderzoeken met betrekking tot hoeveel vragen er gesteld werden in een situatie met of zonder smartphone.
Tijdens de kwaliteitsbeoordeling met behulp van de MMAT kwamen enkele verschillen tussen studies naar voren. Het ontbrak in veel kwantitatieve studies aan een definitie van de doelpopulatie, waardoor niet beoordeeld kon worden of de steekproef representatief was. Ook was er in meerdere studies sprake van missende of incomplete data, waar niet altijd duidelijke verklaringen voor werden gegeven. Bij de kwalitatieve studies viel op dat er niet altijd werd aangegeven bij hoeveel observaties (in getallen of percentages) bepaald gedrag voorkwam, wat het lastiger maakte om de uitkomsten te interpreteren. De uitgewerkte MMAT’s zijn te vinden in de Bijlage.
In Tabel 3 (*niet toegevoegd i.v.m. leesbaarheid) zijn de belangrijkste kenmerken van de studies te lezen. Uit alle studies kwamen negatieve associaties tussen smartphonegebruik van de ouder en de ouder-kind interactie naar voren. De gevonden samenhang verschilt per studie. In de meeste kwantitatieve studies werden significante verschillen gevonden tussen de situatie met en zonder smartphone. Tussen smartphonegebruik en andere afleidende factoren was het verschil klein en niet significant.
In het algemeen werd gezien dat de kwaliteit en kwantiteit van de interacties afnam. Tijdens smartphonegebruik praten ouders minder tegen hun kind dan tijdens de momenten zonder smartphone. Ouders waren gemiddeld minder responsief en misten vaker signalen van hun kind. Kinderen deden soms meerdere pogingen om de aandacht van hun ouders te trekken, maar niet altijd met succes. In sommige gevallen reageerden ouders geïrriteerd of duwden ze de hand van hun kind weg, wanneer die naar hun smartphone greep.
Een ander gevolg van smartphonegebruik was dat ouders eventuele risico’s voor hun kinderen minder opmerkten. In de observaties in de speeltuinen en in de restaurants werd gezien dat kinderen soms risico’s namen tijdens het spelen of wegliepen uit het zicht van hun ouders. Dit werd niet of pas laat opgemerkt door de ouders.
Enkele studies hebben specifiek een aspect van taal in kaart gebracht. De studie van Corkin et al. (2021) vond een negatieve associatie tussen vocabulaire en hoeveelheid auditieve notificaties die ouders ontvingen.
De studie van Reed et al. (2017) liet zien dat contingentie van groot belang is voor het leren van woorden. Contingentie wil zeggen dat de reactie van de ouder vlot en betekenisvol is. In deze studie werd de interactie in één van de condities bewust verstoord doordat de moeder gebeld werd door de onderzoeker. Volgens de auteurs suggereren de resultaten dat kinderen in de onderbroken conditie het woord niet leerde en in de ononderbroken conditie wel.
De sociaaleconomische status van de participanten varieerde van laag tot hoog en de studies vonden plaats in diverse contexten en wijken. Ondanks deze diversiteit in locaties en populaties lijken smartphones een universeel effect te hebben. De meeste ouders waren in meer of mindere mate vatbaar voor de absorberende werking van hun smartphone. In de studie van Lemish et al. (2019) werd geobserveerd dat het sommige ouders lukt om digitaal verbonden te zijn zonder hun kinderen te negeren. Dit werd bereikt door het gebruik te beperken, de smartphone weg te leggen tijdens activiteiten samen en door beperkt te multitasken.
Uit de kwaliteitsbeoordeling met behulp van de MMAT kwam naar voren wat de sterkere en zwakkere punten waren van de geïncludeerde studies. Een voorbeeld van een sterker onderzoek is de studie van Corkin et al. (2021), waarin sprake was van slechts een klein percentage missende data en waarin een brede range aan variabelen werd meegenomen. Ook de kwalitatieve studie van Ewin et al. (2021) werd positief beoordeeld vanwege de helder beschreven voorbeelden en data-analyse, waardoor een beeld gevormd kon worden van de mate waarin bepaalde gedragingen voorkwamen. Geen van de geïncludeerde studies kwam duidelijk als zwakst naar voren. In veel studies was sprake van incomplete data en in vrijwel alle studies was sprake van homogene steekproeven. Deze bestonden uit overwegend hoogopgeleide moeders, vaders waren ondervertegenwoordigd.
Conclusie
Met dit onderzoek wordt getracht een antwoord te geven op de onderzoeksvraag ‘Wat is er bekend over de mogelijke samenhang tussen smartphonegebruik van ouders en de kwaliteit van de ouder-kind interacties bij jonge kinderen?’ Om tot een antwoord te komen is er een systematisch literatuuronderzoek uitgevoerd. Onderzoeken waarin op kwantitatieve of op kwalitatieve wijze werd gekeken naar mogelijke relaties tussen smartphonegebruik van ouders en de ouder-kind interactie werden geïncludeerd. De gekozen doelgroep was ouders met kinderen van 1-6 jaar.
Uit alle 15 studies kwam een negatieve samenhang naar voren tussen smartphonegebruik en de ouder-kind interactie. Er vond minder verbale en non-verbale communicatie plaats, de communicatie was regelmatig vertraagd, minder afgestemd en in het algemeen was er minder sensitiviteit. In sommige observaties werd waargenomen dat ouders boos, geïrriteerd of ongeduldig verbaal of fysiek reageerden wanneer hun kind (herhaaldelijk) om aandacht vroeg terwijl de ouder met de smartphone bezig was. In sommige kwantitatieve studies werd een significant verschil gevonden tussen wel en geen smartphonegebruik voor bepaalde variabelen, zoals het aantal interacties, het aantal gestelde vragen of hoeveel vragen om aandacht er gemist werden. De studies die ook andere afleidende factoren meenamen zoals het lezen van een magazine vonden verschillen tussen smartphonegebruik en de andere afleidende factor. Hierbij viel de score in de smartphonesituatie meestal lager uit dan de andere afleider, deze verschillen waren echter in geen enkele studie significant.
Op basis van de hoeveelheid geïncludeerde artikelen en de beperkingen in methodologie en kwaliteit is voorzichtigheid geboden bij het trekken van conclusies. Uit de kwaliteitsbeoordeling met de MMAT kwam allereerst naar voren dat niet alle studies compleet waren wat betreft data. Niet in iedere onderzoeksopzet werd rekening gehouden met alternatieve verklaringen en er was zelden een doelpopulatie geformuleerd, waardoor er onduidelijkheid bestond over de representativiteit van de steekproef. Er was over het algemeen sprake van een homogene steekproef bestaande uit met name moeders met een middel tot hoge SES.
Desondanks laten alle studies een overwegend negatief beeld zien. Op basis van dit onderzoek kan voorzichtig geconcludeerd worden dat er sprake lijkt van een negatieve samenhang tussen smartphonegebruik van de ouder en de kwaliteit van ouder-kind interactie bij jonge kinderen.
Discussie
Er zijn enkele sterke punten van dit onderzoek te benoemen. Allereerst is een systematisch literatuuronderzoek een geschikte manier om een overzicht te krijgen van het beschikbare bewijs over een onderwerp. Daarnaast zijn er zowel kwantitatieve als kwalitatieve studies geïncludeerd, wat ervoor zorgt dat er een breder beeld gevormd kan worden van hoe smartphonegebruik van ouders zich manifesteert.
Een van de beperkingen is dat er weinig onderzoek naar voren kwam dat zich specifiek op de in Nederland gehanteerde kleuterperiode richtte. Om deze reden is gekozen om de vraag te verbreden naar jonge kinderen. Aangezien het taalniveau van een kind van twee en een kind van vijf uiteenloopt en het taalgebruik van de ouder daarop wordt aangepast, kunnen de uitkomsten van deze studie te algemeen zijn. Een andere beperking is dat het selectieproces individueel heeft plaatsgevonden. Mogelijk waren bepaalde artikelen geïncludeerd of juist geëxcludeerd door een tweede beoordelaar.
Er is in deze literatuurstudie gekozen om de MMAT te gebruiken voor kwaliteitsbeoordeling. Dit instrument legt veel verantwoordelijkheid bij de beoordelaar en de opzet laat enige ruimte over voor interpretatie. Dit kan als gevolg hebben dat een artikel door één beoordelaar anders beoordeeld wordt dan door een tweede beoordelaar. Ook wordt er bij kwalitatieve studies niet gekeken naar de representativiteit en grootte van de steekproef, terwijl dit aspect wel wordt meegenomen bij de kwantitatieve studies.
Wat betreft de geïncludeerde studies zijn er een aantal beperkingen van belang om mee te wegen. Allereerst waren er verschillen in steekproeven. De gemiddelde leeftijd van het kind en grootte van de steekproef varieerde. Ook waren het overwegend moeders in plaats van vaders die deelnamen aan de onderzoeken en had het merendeel van de participanten een middel tot hoge sociaaleconomische status (SES). Dit kan de uitkomsten vertekenen. In de studie van Schwab en Lew‐Williams (2016) werd bijvoorbeeld gevonden dat de sociaaleconomische status van een gezin een voorspellende waarde heeft voor de taalontwikkeling. De kans dat er een hogere hoeveelheid taalinput is en dat deze input van hoge kwaliteit is, zou groter zijn bij ouders met een hoge SES (Schwab & Lew‐Williams, 2016).
In enkele studies werd door de onderzoekers een eigen codeerschema opgesteld. Dit is opvallend, want de onderzoeksvragen komen in deze studies redelijk overeen. In de studie van Radesky et al. (2014) kwamen thema’s naar voren die volgens de auteurs gebruikt kunnen worden als basis voor een codeerschema voor kwantitatieve studies. Ondanks dat de rest van de geïncludeerde studies recenter is gepubliceerd dan deze studie, werden deze thema’s niet teruggezien in de gebruikte codeerschema’s. Er lijkt vooralsnog geen algemeen geaccepteerd codeerschema beschikbaar om smartphonegebruik van ouders in het bijzijn van het kind te coderen.
Sommige observaties vonden plaats in een laboratoriumsetting zonder afleiding, waarbij de ouders op de hoogte waren van het feit dat ze geobserveerd werden. Dit kan hebben geleid tot sociaal wenselijk gedrag en kan daardoor geen realistische afspiegeling zijn van het daadwerkelijke smartphonegebruik. Andere studies gebruikten naturalistische observatie op openbare plekken en sommigen kozen daarbij om participanten niet of pas achteraf op de hoogte te stellen van de observatie. Wat betreft ethiek kunnen hier enkele opmerkingen over gemaakt worden. In de Code of Ethics for Research in the Social and Behavioural Sciences Involving Human Participants (de Code) staan richtlijnen voor onderzoek in sociale wetenschappen en wordt onder andere informed consent toegelicht (Nationaal Ethiek Overleg Sociale en Gedragswetenschappen, 2018). Er worden ook uitzonderingen beschreven in de Code waarbij geen informed consent vragen acceptabel kan zijn, zoals bij het observeren van mensen in openbare plekken. Hoewel dit is toegestaan mits er rekening wordt gehouden met privacy en er geen persoonlijke data wordt verzameld, staat hierbij geen specifieke toelichting over observaties van minderjarigen (Nationaal Ethiek Overleg Sociale en Gedragswetenschappen, 2018). In deze situatie is een kind volgens Powell et al. (2012) ‘onbewust onderwerp van onderzoek’ omdat hij zich niet bewust is van het feit dat hij geobserveerd wordt. Onderzoekers moeten een balans vinden zodat het kind enerzijds beschermd wordt tegen mogelijke schade en anderzijds kan profiteren van de resultaten (Powell et al., 2012).
Vanuit dit oogpunt is het gebruik van onopvallende observatie te verdedigen. Op deze manier kunnen onderzoekers zich namelijk ontdoen van sociale wenselijkheid. Zoals in de studie van Kelly en Ocular (2021) naar voren kwam, zijn participanten geneigd hun eigen smartphonegebruik tijdens het invullen van een survey te onderschatten en valt het geobserveerde smartphonegebruik hoger uit. Ook in de studie van Vanden Abeele et al. (2020) was het geobserveerde smartphonegebruik in de situatie waar vooraf toestemming werd gevraagd voor de observatie lager dan wanneer er achteraf toestemming werd gevraagd. Het smartphonegebruik dat geobserveerd wordt in een gecontroleerde setting kan daarom een onderschatting zijn, omdat participanten hun gedrag aanpassen. Wanneer er geen sprake is van deze sociale wenselijkheid wordt er mogelijk een realistischer beeld verkregen van de mate waarin het smartphonegebruik daadwerkelijk voorkomt. Observeren zonder toestemming kan daarom geoorloofd zijn, als de uitkomsten daarvan leiden tot gerichte informatie en handvaten voor ouders, waarvan het kind kan profiteren omdat het negatieve gevolgen voor hem kan voorkomen.
Een ander opvallend punt is dat in geen van de geïncludeerde studies observaties in de thuissituatie zijn uitgevoerd. Mogelijk gebeurde dit niet om rekening te houden met de eerder besproken sociale wenselijkheid, maar vooralsnog is dit wel de plek waar jonge kinderen de meeste tijd doorbrengen (Expertisepunt Basisvaardigheden, 2023). Een beeld krijgen van hoe smartphonegebruik zich thuis manifesteert kan daarom zinvol zijn omdat er mogelijk verschillen bestaan tussen hoe dit zich thuis voordoet vergeleken met een openbare setting.
In drie studies werd behalve smartphonegebruik ook een andere afleidende factor onderzocht, zoals het maken van een vragenlijst op papier in de studie van Gaudreau et al. (2022). Ondanks dat afleiding niet nieuw is in de opvoeding, lijken smartphones op een unieke manier de aandacht vast te houden volgens deze auteurs. Dit zou komen doordat het kleine scherm van een smartphone meer focus vraagt vergeleken met bijvoorbeeld een andere afleider zoals het lezen van een boek (Gaudreau et al., 2022). Hierdoor kan het moeilijker zijn voor ouders om zich los te maken of de aandacht de verdelen tussen hun kind en hun smartphone.
Al met al blijkt uit de resultaten van deze literatuurstudie dat smartphonegebruik negatieve gevolgen heeft voor de ouder-kind interactie. De afname in de hoeveelheid gesproken taal en de mate van responsiviteit kan gevolgen hebben voor de taalontwikkeling van kinderen. Een mogelijke verklaring voor deze verminderde responsiviteit is volgens Corkin et al. (2021) dat notificaties op de smartphone cognitieve ruimte in beslag zouden nemen waardoor ouders meer moeite hebben om met voldoende afstemming op hun kind te reageren. Het geven van contingente reacties, afgestemd op de signalen van het kind is immers van groot belang voor het leren van taal (Tamis-LeMonda et al., 2014).
Gezien de mate waarin smartphones zijn geïntegreerd in het dagelijkse leven kan dit gevolgen hebben voor de ontwikkeling van kinderen. Het is daarom van belang dat ouders voorgelicht worden over de gevolgen van hun smartphonegebruik op de ouder-kind interactie, en dat hen handvaten wordt geboden over hoe zij hun smartphonegebruik vorm kunnen geven in het bijzijn van hun kind. Tevens is het de vraag of deze verantwoordelijkheid volledig bij ouders neergelegd mag worden of dat hier ook een belangrijke rol ligt voor technologiebedrijven en de overheid, met het oog op de belangen van het kind.
Deze literatuurreview draagt bij aan de bestaande kennis over ouder-kind interacties en over smartphonegebruik. Het biedt een overzicht van de beschikbare en relevante wetenschappelijke literatuur. Daarbij wordt vastgesteld dat de gevonden resultaten nog onvoldoende overtuigend zijn om met zekerheid te kunnen zeggen dat er een negatieve samenhang bestaat tussen ouderlijk smartphonegebruik en de ouder-kind interactie. Vervolgonderzoek is daarom wenselijk, niet alleen om tot sterker bewijs te komen maar ook om een aantal richtingen verder te exploreren. Te denken valt aan het onderzoeken van verschillen in smartphonegebruik tussen vaders en moeders, omdat in Kelly en Ocular (2021) naar voren kwam dat vaders hun smartphonegebruik meer onderschatten dan moeders dat deden. De onderrapportage van smartphonegebruik is een belangrijk onderwerp en kan voorkomen vanwege sociale wenselijkheid. Dit kan betekenen dat ouders in de normale situatie hun smartphone vaker gebruiken en dat eventuele gevolgen voor kinderen mogelijk groter zijn. Vervolgonderzoek kan zich richten op andere manieren om smartphonegebruik betrouwbaarder in kaart te brengen. Op deze manier kan in combinatie met zelfrapportage onderzocht worden wat voor verschillen er bestaan tussen de eigen perceptie van het schermgebruik en het daadwerkelijke schermgebruik.
Tenslotte kan geëxploreerd worden in welke situaties smartphonegebruik mogelijk positief kan bijdragen aan de sensitiviteit, zoals geopperd werd in Wolfers et al. (2020). De auteurs gaven aan dat contact met familie of vrienden via bijvoorbeeld chatten of sms’en een vorm van sociale steun kan zijn. De ouder kan zijn emoties delen, steun ervaren en mogelijk opvoedtips ontvangen van anderen. Het smartphonegebruik kan op deze manier mogelijk stress verlagend zijn voor de ouder en daardoor de sensitiviteit naar het kind ten goede komen.
Wat betreft implicaties voor de praktijk kan deze literatuurreview dienen als naslagwerk voor ouders, leerkrachten en (gezins)hulpverleners, met als doel om bewustzijn te vergroten. Op basis van deze review kan voorzichtig geconcludeerd worden dat er sprake is van een negatieve samenhang tussen smartphonegebruik van ouders en de kwaliteit van de ouder-kind interactie. Het is van belang om bewust te zijn van smartphonegebruik in het bijzijn van kinderen.
Referenties
(de bronnen met * zijn de artikelen die geincludeerd waren in de review. De bijlage is niet toegevoegd)
* Abels, M., Vanden Abeele, M., Van Telgen, T., & Van Meijl, H. (2018). Nod, nod, ignore: An exploratory observational study on the relation between parental mobile media use and parental responsiveness towards young children. In E. M. Luef, & M. M. Marin (Reds.), The talking species: Perspectives on the evolutionary, neuronal, and cultural foundations of language (pp. 195–228). Uni-Press Graz Verlag.
Algemeen Nederlands Woordenboek. (z.d.). Kleuterleeftijd. Geraadpleegd op 14 februari 2024, van https://anw.ivdnt.org/article/kleuterleeftijd
American Academy of Pediatrics. (2024). Ages & Stages. Geraadpleegd op 3 maart 2024, van https://www.healthychildren.org/English/ages-stages/Pages/default.aspx
Arends- Tóth, J. (2020). ICT-gebruik van huishoudens en personen. Geraadpleegd op 14 februari 2024, van https://longreads.cbs.nl/ict-kennis-en-economie-2020/ict-gebruik-van-huishoudens-en-personen/
* Corkin, M. T., Henderson, A. M., Peterson, E. R., Costantini, S. K., Sharplin, H. S., & Morrison, S. (2021). Associations between technoference, quality of parent-infant interactions, and infants’ vocabulary development. Infant Behavior & Development, 64, 1-16. https://doi.org/10.1016/j.infbeh.2021.101611
Eadie, P., Bavin, E. L., Bretherton, L., Cook, F., Gold, L., Mensah, F., Wake, M., & Reilly, S. (2021). Predictors in Infancy for Language and Academic Outcomes at 11 Years. Pediatrics, 147(2), 1-12. https://doi.org/10.1542/peds.2020-1712
* Elias, N., Lemish, D., Dalyot, S., & Floegel, D. (2020). “Where are you?” An observational exploration of parental technoference in public places in the US and Israel. Journal Of Children And Media, 15(3), 376-388. https://doi.org/10.1080/17482798.2020.1815228
* Elias, N., Lemish, D., & Rovner-Lev, G. (2021). Food for Thought: Parent-Child Face-to-Face Communication and Mobile Phone Use in Eateries. Journal Of Family Communication, 21(4), 272–286. https://doi.org/10.1080/15267431.2021.1953501
* Ewin, C. A., Reupert, A., & McLean, L. A. (2021). Naturalistic Observations of Caregiver – Child Dyad Mobile Device Use. Journal Of Child And Family Studies, 30(8), 2042–2054. https://doi.org/10.1007/s10826-021-01993-5
* Ewin, C. A., Reupert, A., McLean, L. A., & Ewin, C. J. (2021). Mobile devices compared to non-digital toy play: The impact of activity type on the quality and quantity of parent language. Computers in Human Behavior, 118, 1-7. https://doi.org/10.1016/j.chb.2020.106669
Expertisepunt Basisvaardigheden. (2023). Taal in het gezin: wat werkt volgens de experts? Geraadpleegd op 3 maart 2024, van https://www.movisie.nl/sites/movisie.nl/files/2023-12/Taal%20in%20het%20gezin%202023.pdf
Fenson, L., Pethick, S., Renda, C., Cox, J. L., Dale, P. S., & Reznick, J. S. (2000). Short-form versions of the MacArthur Communicative Development Inventories. Applied Psycholinguistics, 21(1), 95–116. https://doi.org/10.1017/s0142716400001053
* Gaudreau, C., Hirsh-Pasek, K., & Golinkoff, R. M. (2022). What’s in a distraction? The effect of parental cell phone use on parents’ and children’s question-asking. Developmental Psychology, 58(1), 55–68. https://doi.org/10.1037/dev0001268
Hong, Q. N., Pluye, P., Fàbregues, S., Bartlett, G., Boardman, F., Cargo, M., Dagenais, P., Gagnon, M.-P., Griffiths, F., Nicolau, B., O’Cathain, A., Rousseau, M.-C., McGill University, Universitat Oberta de Catalunya, University of Warwick, University of Canberra, Université de Sherbrooke, Université Laval, University of Sheffield, . . . Canadian Intellectual Property Office. (2018). Mixed Methods Appraisal Tool (MMAT), version 2018. http://mixedmethodsappraisaltoolpublic.pbworks.com/w/file/fetch/127916259/MMAT_2018_criteria-manual_2018-08-01_ENG.pdf
Kaminske, A., Brown, A., Aylward, A., & Haller, M. (2022). Cell Phone Notifications Harm Attention: An Exploration of the Factors that Contribute to Distraction. European Journal Of Educational Research, 11(3), 1487–1494. https://doi.org/10.12973/eu-jer.11.3.1487
* Kelly, K. R., & Ocular, G. (2021). Family Smartphone Practices and Parent-Child Conversations During Informal Science Learning at an Aquarium. Journal Of Technology in Behavioral Science, 6(1), 114–123. https://doi.org/10.1007/s41347-020-00157-4
Landelijk Expertisecentrum Jonge Kind. (z.d.). Over ons. Geraadpleegd op 26 mei 2024, van https://www.lejk.nl/over-ons
* Lederer, Y., Artzi, H., & Borodkin, K. (2021). The effects of maternal smartphone use on mother–child interaction. Child Development, 93(2), 556–570. https://doi.org/10.1111/cdev.13715
* Lemish, D., Elias, N., & Floegel, D. (2019). “Look at me!” Parental use of mobile phones at the playground. Mobile Media & Communication, 8(2), 170–187. https://doi.org/10.1177/2050157919846916
Levickis, P., Conway, L., Smith, J., Bennetts, S. (2022). Parent-Child Interaction and Its Impact on Language Development. In J.Law, S, Reilly, & C. McKean (Reds.), Language Development: Individual Differences in a Social Context (pp. 166-192). Cambridge University Press
Madigan, S., McArthur, B. A., Anhorn, C., Eirich, R., & Christakis, D. A. (2020). Associations Between Screen Use and Child Language Skills. JAMA Pediatrics, 174(7), 665-675. https://doi.org/10.1001/jamapediatrics.2020.0327
McDaniel, B. T., & Radesky, J. S. (2018). Technoference: Parent Distraction With Technology and Associations With Child Behavior Problems. Child Development, 89(1), 100–109. https://doi.org/10.1111/cdev.12822
Merriam-Webster. (z.d.). Kindergarten. Geraadpleegd op 3 maart 2024, van https://www.merriam-webster.com/dictionary/kindergarten
Meelissen, M. R. M., Maassen, N. A. M., Gubbels, J., van Langen, A. M. L., Valk, J., Dood, C., Derks, I., In ’t Zandt, M., & Wolbers, M. (2023). Resultaten PISA-2022 in vogelvlucht. Universiteit Twente – 2023 https://doi. org/10.3990/1.9789036559461
Nationaal Ethiek Overleg Sociale en Gedragswetenschappen. (2018). Code of ethics for research in the social and behavioral sciences involving human participants. Geraadpleegd op 5 juni 2024, van https://www.nethics.nl/onewebmedia/CODE%20OF%20ETHICS%20FOR%20RESEARCH%20IN%20THE%20SOCIAL%20AND%20BEHAVIOURAL%20SCIENCES%20v2%20230518-2018.pdf
Nederlands Jeugdinstituut. (z.d.). Baby | Taal: de eerste woordjes. Geraadpleegd op 26 mei 2024, van https://www.nji.nl/ontwikkeling/taalontwikkeling-bij-babys
Nederlands Jeugdinstituut. (z.d.). Mediaopvoeding. Geraadpleegd op 26 mei 2024, van https://www.nji.nl/mediaopvoeding
Nikken, P. & Tuijnman, A. (2024). Verdiepend onderzoek Iene Miene Media. Netwerk Mediawijsheid. https://netwerkmediawijsheid.nl/wp-content/uploads/2024/03/Netwerk-Mediawijsheid-IeneMieneMedia2024-onderzoek.pdf
PORaad. (z.d.). Jonge kind (0-6 jaar). Geraadpleegd op 26 mei 2024, van https://www.poraad.nl/kind-onderwijs/doorlopende-leerlijn/jonge-kind-0-6-jaar
Powell, M.A., Fitzgerald, R., Taylor, N.J., & Graham, A. (2012, March). International Literature Review: Ethical Issues in Undertaking Research with Children and Young People (Literature review for the Childwatch International Research Network). Lismore: Southern Cross University, Centre for Children and Young People / Dunedin: University of Otago, Centre for Research on Children and Families.
* Radesky, J. S., Kistin, C. J., Zuckerman, B., Nitzberg, K., Gross, J., Kaplan-Sanoff, M., Augustyn, M., & Silverstein, M. (2014). Patterns of Mobile Device Use by Caregivers and Children During Meals in Fast Food Restaurants. Pediatrics, 133(4), 843–849 https://doi.org/10.1542/peds.2013-3703
* Radesky, J., Miller, A. L., Rosenblum, K. L., Appugliese, D., Kaciroti, N., & Lumeng, J. C. (2014). Maternal Mobile Device Use During a Structured Parent–Child Interaction Task. Academic Pediatrics, 15(2), 238–244. https://doi.org/10.1016/j.acap.2014.10.001
* Reed, J., Hirsh-Pasek, K., & Golinkoff, R. M. (2017). Learning on hold: Cell phones sidetrack parent-child interactions. Developmental Psychology, 53(8), 1428–1436. https://doi.org/10.1037/dev0000292
Rijksoverheid. (z.d.). Gebruik van mobiele telefoons niet toegestaan in de klas. Geraadpleegd op 3 maart 2024, van https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/voortgezet-onderwijs/mobiele-apparaten-in-de-klas
Safwat, R. F., & Sheikhany, A. R. (2014). Effect of parent interaction on language development in children. The Egyptian Journal Of Otolaryngology, 30(3), 255-263. https://doi.org/10.4103/1012-5574.138488
Schwab, J. F., & Lew‐Williams, C. (2016). Language learning, socioeconomic status, and child‐directed speech. Wiley Interdisciplinary Reviews Cognitive Science, 7(4), 264–275. https://doi.org/10.1002/wcs.1393
Stichting Leerplan Ontwikkeling. (2024). Wat zijn basisvaardigheden taal? Geraadpleegd op 3 maart 2024, van https://www.slo.nl/thema/meer/basisvaardigheden/taal-nederlands/
Swart, N. M., Gubbels, J., in ‘t Zandt, M., Wolbers, M. H. J., & Segers, E. (2023). PIRLS-2021: Trends in leesprestaties, leesattitude en leesgedrag van tienjarigen uit Nederland. Expertisecentrum Nederlands
Tamis-LeMonda, C. S., Kuchirko, Y., & Song, L. (2014). Why is infant language learning facilitated by parental responsiveness? Current Directions in Psychological Science, 23(2), 121–126. https://doi.org/10.1177/0963721414522813
Topping, K., Dekhinet, R., & Zeedyk, S. (2013). Parent–infant interaction and children’s language development. Educational Psychology, 33(4), 391–426. https://doi.org/10.1080/01443410.2012.744159
USAHello. (z.d.). What are the U.S. education levels? Geraadpleegd op 3 maart 2024, van https://usahello.org/education/children/grade-levels/
* Vanden Abeele, M. M., Abels, M., & Hendrickson, A. T. (2020). Are Parents Less Responsive to Young Children When They Are on Their Phones? A Systematic Naturalistic Observation Study. Cyberpsychology, Behavior And Social Networking, 23(6), 363–370. https://doi.org/10.1089/cyber.2019.0472
* Wolfers, L. N., Kitzmann, S., Sauer, S., & Sommer, N. (2020). Phone use while parenting: An observational study to assess the association of maternal sensitivity and smartphone use in a playground setting. Computers in Human Behavior, 102, 31–38. https://doi.org/10.1016/j.chb.2019.08.013
World Health Organization. (2007). Early child development: a powerful equalizer. Geraadpleegd op 3 maart 2024 https://iris.who.int/bitstream/handle/10665/69729/a91213.pdf?sequence=1




